Home
Geschiedenis
Technische gegevens
Contact
Rotterdampas
 
   

De twintigste eeuw tweede helft

Op 15 juli 1950 rapporteert dhr. Breeman van de Cultuur-Technische Dienst over de voorgenomen verplaatsing van het Koedoodgemaal en de daaraan voor de polders onder Rhoon en Barendrecht verbonden gevolgen. In 1951 heet het: Het z.g. "Grote plan" d.w.z. waarbij dus ook voormelde Barendrechtse polders zijn opgenomen en indien deze laatste meedoen, kunnen alle onderbemalingen, dus ook de watermolen van Nieuw-Pendrecht, vervallen.
In 1952 blijkt bij hoofdelijke stemming dat allen vóór het plan zijn, zodat hetzelve met algemene stemmen is aangenomen.

De watersnoodramp van 1953 treft ook de polder Nieuw-Pendrecht. De polder loopt onder en moet door de molen en diverse pompen weer leeggemalen worden.

Per 1 augustus 1957 wordt de brandverzekering van de watermolen op gezegd vanwege het feit dat verwacht mag worden dat de molen dan buiten dienst zal komen.
Op de vergadering van het polderbestuur van 22 mei komt ter sprake de binnenkort buiten werking te stellen watermolen van de polder. Verwacht mag worden dat in de nazomer of in het begin van de herfst van 1957 het nieuwe Koedoodgemaal in werking zal treden. Men constateert: De molen zou de polder straks, wanneer zij buiten dienst komt, tot last kunnen worden, aangezien G.S. de polder aan de hand van de bestaande "Molenverordening Zuid-Holland", zou kunnen verplichten dezelve in een bepaalde staat te houden en onderhouden. Daarom moeten we proberen van de molen af te komen en met het molenerf enz., alsmede met lusten en lasten te verkopen. De vergadering besluit met algemene stemmen de watermolen te verkopen en indien verkoop van de watermolen, om welke reden dan ook niet kan geschieden, dezelve te slopen, de afbraak te verkopen, en daarna alsnog te trachten bovengenoemde percelen eveneens te verkopen.
Het Provinciale Bestuur van Zuid-Holland gaat akkoord met verkoop aan dhr.Jungerius, maar dwingt tot herroeping van de mogelijkheid tot sloop.
Op 10 september wordt per brief A.J.Dekker met terugwerkende kracht per 1 januari 1957 bedankt als opzichter.

Op 20 oktober 1958 heeft de notaris de overdrachtsakte opgemaakt vanwege verkoop van de molen aan de heer De door Jungerius verbouwde molen in de zestiger jaren.H.C.Jungerius, tandarts, wonende te Rotterdam-Zuid, Lepelaarsingel 52, een en ander voor een bedrag van ƒ1.000,-- in massa.
Jungerius krijgt van het  Provinciaal Bestuur van Zuid-Holland toestemming de molen inwendig uit te slopen met als voorwaarden, dat het uitwendige karakter van de molen hierdoor niet wordt aangetast. Na indiening van een uitgewerkt plan zijn zij bereid een restauratie te subsidiëren.

In 1965 op 7 mei vergadert het polderbestuur: De vergadering houdt zich hierna nog enige tijd bezig met polder- en waterschapszaken van meer algemene aard, waarbij vooral de grote kostenstijging van de onderhoudswerken aan watergangen, de moeilijkheden welke bestaan rondom het vraagstuk der recreatie, vooral ten aanzien van gebieden in de naaste omgeving van grote steden en waarbij onze polder dus ten nauwste is betrokken, terwijl mede een punt van gedachtenwisseling vormt de aanleg van grote verkeerswegen, ingrijpend van betekenis ook voor onze streek. Men is het met de Voorzitter eens dat een en ander rustig doch met gespannen aandacht dient te worden gevolg opdat op de juiste wijze kan worden gereageerd. Aan de verschillende probleemstellingen kan n.l. niet worden ontkomen, dat dit alles een noodzakelijk gevolg is van een zich snel veranderende samenleving, welke ook het polder- en waterschapsbestel geenszins ongemoeid laat en in de toekomst in steeds sterkere mate zal gaan beïnvloeden.

Bij het 40 jarig jubileum van een heemraad en het 25 jarig jubileum van de dijkgraaf in 1967 wordt teruggekeken: Laten we b.v. denken aan de zorgen ten aanzien van de vroegere watermolen. Als het veel geregend had, wilde het meestal niet waaien.

In 1972 komt er de nota Polderconcentratie IJsselmonde en het bestuur vindt, dat het prijs moeten geven van de zelfstandigheid het zwaarst zal wegen. Per 1 januari 1974 is de polder Nieuw-Pendrecht opgeheven.

In het blad van De Hollandsche Molen Molennieuws van augustus 1973 lezen we:
Deze in slechte staat verkerende molen gaat een betere toekomst tegemoet nu hij onlangs door de gemeente Rotterdam is aangekocht. Jarenlang was de molen in particulier bezit en ingericht als weekendverblijf hetgeen, zoals meestal, ook in dit geval niet de meest ideale bestemming voor een dergelijk maalwerktuig bleek te zijn. Na het overlijden van de eigenaar kon door tussenkomst van in molenbehoud geïnteresseerde particulieren de toekomst van de molen veilig gesteld worden. Met erkentelijkheid noemen wij in dit verband de naam van de heer E. J. Wicherts, bouwkundige van de Verolme Verenigde Scheepswerven N.V. te Rozenburg, die met een financiële garantie van de Aannemerscombinatie Zuidelijke Randweg als tussenpersoon optrad.

In Het Vrije Volk van 11 januari 1977 lezen we: In de buurt van de Pendrechtse molen mag geen rioolzuiverings-installatie worden gebouwd. Het terrein moet worden gebruikt voor de uitbreiding van het zuidelijk randpark. De restauratie van de molen is in volle gang. Een zuiveringsinstallatie is in die omgeving niet op zijn plaats.
Door een grondruil begin dit jaar tussen de gemeente Rhoon en Rotterdam werd het stuk bij de Pendrechtse molen Charlois' grondgebied. De deelgemeentebestuurders besloten onmiddellijk het terrein te bestemmen voor uitbreiding van het zuidelijk randpark. De sterk vervallen molen werd in dat plan een centrale rol toebedacht. De eerste stap was de restauratie van de molen.
De gemeente Rhoon was ook al zoiets van plan. Een bestemmingsplan om dit te regelen werd vanwege protesten niet goedgekeurd.

Het in 1979 geplaatste houten scheprad.In de jaren 1978/79 wordt de molen door timmerlieden van Gemeentewerken geheel gerestaureerd met ondermeer een geheel nieuwe kap en spil, wateras en scheprad. Plannen voor een maalcircuit worden nooit uitgevoerd.
Ondertussen wordt gewerkt aan het realiseren van een bedrijventerrein in het gebied rond de molen. In dat plan is 100 meter rond de molen vrij gehouden, maar is het verder mogelijk tot 12 meter hoge bedrijfspanden te bouwen. De ontslui-tingsweg in het gebied is op de molen gericht voor het zicht en om nog enige wind bij de molen te krijgen. Ingebrachte bezwaren hiertegen worden ongegrond verklaard.Doorsnede van de molen ná de restauratie van 1994.
Op initiatief van de toenmalige vrijwillige molenaar komt een werkgroep bijeen om te toekomst van de molen te bespreken. In deze werkgroep zitten vertegenwoordigers van de Gemeente Rotterdam, de deelgemeente Charlois, de Provincie Zuid-Holland en De Hollandsche Molen. Het is niet moeilijk vast te stellen, dat de bouwplannen funest zullen zijn voor de molen. Gezocht wordt naar een nieuwe plek met voldoende wind voor de wieken, voldoende water voor het scheprad en geld voor een verplaatsing. Bij een verplaatsing komt grond vrij en daarmee ook geld. Nieuwe plekken zijn echter schaars en na lang zoeken wordt overeenstemming bereikt met het Natuur- & Recreatieschap IJsselmonde om de molen te verplaatsen naar het in uitvoering zijnde Zuidelijk Randpark. Hier wordt de molen in 1993 naar toe verplaatst op een nieuwe fundering die anderhalve meter hoger is dan vroeger. De beplanting in het gebied wordt voor de molen laag gehouden. Omdat het water hier ook een halve meter lager zit dan vroeger "verdwijnt" een groot deel van het gaande werk onder de begane grond. In 1994 wordt de molen gerestaureerd waarbij de verdekkering opnieuw wordt aangebracht en de originele kleurstelling van de molen in ere wordt hersteld. Sindsdien maalt de molen drie dagen in de week.
Het interieur van de woning.